Pagina:Noodlot.djvu/70

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

69

kon zich niet schudden uit de zelfontevredenheid, die hem iederen dag meer en meer omknelde. Bertie sloeg eene schaduw over het geluk zijner liefde. Eve zag, dat een dof leed hem stilzwijgend maakte, hem lang peinzend deed neêrzitten met gefronste wenkbrauwen en een breeden rimpel, dwars over zijn voorhoofd heen.

— Wat is er, Frank? vroeg ze.

— Niets, lieveling...

— Ben je nog jaloersch?

— Neen, ik zal me verbeteren...

— Zie je, het is je eigen schuld. Wanneer je me Bertie vroeger niet altijd zoo geprezen hadt als je beste vriend, zoû ik nooit zoo intiem met hem geworden zijn...

Ja, het was wel zijne eigen schuld: hij zag dat klaar in.

— En ben je nu meer over me tevreden? vroeg zij lachend.

Hij lachte terug; het was waar: zij had tegenwoordig, terwille van Frank, bruske veranderingen tegenover Bertie, verliet in eens, terwijl hij nog sprak, den divan, waarop zij samen zaten, gaf hem telkens ongelijk, verweet hem zijne fatterigheid, hield hem voor den gek met zijne kleine handjes. Hij zag haar dan verbaasd aan, meende, dat ze met hem coquetteerde, maar begreep er niet het rechte van. Zoo had zij ook eens, gedurende een uur achtereen, hem overladen met kleine hatelijkheden, speldeprikken, die ze meende, dat Frank zouden geruststellen en Bertie niet te zeer zouden kwesten. Sir Archibald, in een gesprek over heraldiek, wilde kort daarna den beiden