Pagina:Noodlot.djvu/75

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

74

het was immers maar een vermoeden, zonder grond... Langzaam ging hij echter door, berekenen ieder woord, als met eene mathematische nauwkeurigheid.

— En als ik dan weg ben en je bent samen met Frank, voor altijd... zal je dan gelukkig zijn, Eve?

— Maar Bertie...

Zij aarzelde: het had bijna wreed geklonken, ja te zeggen, zeker te zijn van geluk, tegenover zijne smart.

— Maar Bertie, waarom vraag je dat? vroeg ze, bijna angstig.

Hij bleef haar aanzien, diep, zacht, met den fluweelen nacht zijner mooie oogen. Toen zonk zijn hoofd op zijne borst, en zij vulden zich met groote tranen, die oogen, en hij wrong zijne handen, als waren zij koud.

— Waarom, waarom, Bertie? herhaalde Eve.

— Niets... Beloof het me... beloof me, dat je gelukkig zal zijn. Want ik zoû wanhopig zijn, als je niet gelukkig was...

— Maar waarom zoû ik niet gelukkig zijn: ik hoû zooveel van Frank! riep zij eindelijk uit, toch nog vreezende hem, Bertie, te kwetsen.

— Nu, als je gelukkig wordt, is het goed, fluisterde hij mat, steeds wringend zijn handen...

Toen, eensklaps, terwijl zij nog steeds hem vragend aanzag, kreet hij:

— Arm kind!

— Wie, arm kind? vroeg zij ontzet.

Hij greep hare handen, zijne tranen drupten op hare vingers...