Pagina:Noodlot.djvu/78

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

77

illusies, dan krijg ik die vreeselijke, onweêrstaanbare gedachte: zoû ze gelukkig worden! Wordt iemand wel gelukkig? Bestaat geluk wel? O, ik moest niet zoo spreken: ik maak je er somber door, ik leer je er pessimisme meê, maar het is me soms zoo vol, als ik je zie met Frank.... Want ik hoû ook zooveel van Frank, ik ben zooveel verschuldigd aan Frank, en ik zoû jullie zoo gaarne gelukkig met elkaâr zien, met elkaâr... Daarom, ik bid je: vertrouw op Frank: hij houdt van je, al is hij soms wat weifelachtig, wat grillig in zijne gevoelens... o hij aanbidt je, al ziet hij soms de nuances van een vrouwenkarakter over 't hoofd en... al slaat hij met zijne luchtigheid soms wat door, hij meent dat zoo niet... Hij is zoo open, zoo oprecht, je weet zoo precies wat je aan hem hebt. .. Daarom Eve, lieve Eve, laat nooit een misverstand tusschen jullie heerschen, begrijp elkaâr altijd... nietwaar kind, o mijn arme Eve!!

En hij snikte zacht in zijne mysterieuze wanhoop, die niet geheel en al gehuichel was, want hij was zoo wanhopig, om wat er dreigde! En zij bleef hem ontsteld aanzien, diep ongelukkig om zijne woorden, waarachter zij iets ried, dat hij niet zeggen woû; elk woord een droppel zacht venijn, dat in haar gemoed vreemde twijfelingen deed opschieten als woekerkruiden en giftplanten.

— Dus is er niets? vroeg ze moê, smeekend, met gevouwen handen.

— Neen, lieve Eve, er is niets! lk ben alleen maar tobberig, zie je, net een oude man, en zoo tob ik soms ook over jullie... Dus als ik ver weg