Pagina:Noodlot.djvu/77

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

76

gedachten: het zijn hersenschimmen. Kijk, die vaas is omgevallen...

— Maar wat dacht je dan, welke hersenschim...?

Hij bette met zijn zakdoek het water van het tafelkleed op en schikte de rozen weêr in de vaas...

— Niets, niets! bleef hij klankloos murmelen.

Zij beefde van zenuwachtigheid; zijne stem was zoo diep medelijdend geweest, als bedekten zijne woorden met hun sluier een ontzettend geheim. Toen, daar hij niet verder sprak, viel zij op den divan en barstte in eens in snikken uit, woest, hartstochtelijk, sidderend van een spookachtigen angst, die in hare ziel oprees.

— Eve, lieve Eve, wees kalm! smeekte hij, vreezende, dat iemand binnen zoû komen...

Maar toen, toen knielde hij naast haar neêr, hare handen nemend en ze zacht drukkend.

— Kijk me aan, Eve!... Ik verzeker het je, ik zweer het je, daar: er is niets, er bestaat niets dan alleen in mijne eigen gedachten. Maar zie, ik hoû zooveel van je; je duldt wel, dat ik je dat zeg, nietwaar, want het is alleen maar innige, onschuldige vriendschap, die ik voel voor het meisje van mijn vriend, voor mijn lief klein zusje... lk hoû zooveel van je en dan denk ik wel eens: zal ze gelukkig worden, mijne lieve Eve... O, het is eene dwaze gedachte, maar het is in mij niets vreemds, want ik denk dat altijd, van menschen, die ik liefheb... Zie je ikzelf, ik heb zooveel geleden, zooveel verdriet gekend!.... En als ik dan iemand zie, van wie ik veel hoû, zooals van jou, en ik zie zoo iemand dan vertrouwen op het leven en vol