Pagina:Noodlot.djvu/92

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

91

— Ziet hij haar nog wel eens? vroeg zij weêr en het scheen haar, dat ze zich bezoedelde met haar eigen woorden, dat haar mond modder spuwde.

— Maar wel neen... Wat denk je toch wel?

Zij leunde zuchtend achteruit, met groote vochtige oogen. Hij zweeg nog eene pooze, haar van ter zijde bestudeerdend. Toen, om zijne te flauwe tegenwerpingen te temperen:

— Eve, Eve, sprak hij verwijtend. Je mag zulke dingen niet denken van Frank. Dat is niet mooi... Je moet vertrouwen stellen in je aanstaanden man...

— Het is dus niet waar?

— Heusch niet: hij ziet haar niet meer...

— Maar geeft hij niet meer om haar?

Lang, diep, raadselachtig blikte hij haar toe. Zijn oog was een fluweelzwarte nacht: zij kon er niets in vinden.

— Foei! sprak hij, het hoofd schuddend, verwijtend.

— Je antwoordt me niet! bad ze.

Weêr die zelfde blik, vol duisternis.

— O God! Antwoord me dan toch! smeekte ze, rampzalig tot in de ziel van hare ziel.

— Wat wil je, dat ik weet van Frank gevoelens? waagde hij te sissen. Ik weet het niet, daar!

— Het is dus zoo? kermde ze, zijne handen grijpend.

— Ik weet het niet, herhaalde hij, zich los wringend, zich afwendend, opstaande.

— Hij houdt van haar, hij kan niet buiten haar leven, hij is verslaafd aan dat mensch, zooals jullie soms verslaven aan zulke wezens en hij