Naar inhoud springen

Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/103

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd
89
BERTHA TUPPENHAUG'S VERTELLINGEN.

den sneenwsok los en hielp mij den schoen uittrekken. Nu sloeg zij eenige malen een kruis over den brandewijn en begon tooverspreuken op te zeggen; zij meende ze te fluisteren, maar daar zij tamelijk doof was, kon ik 't gansche formulier van woord tot woord verstaan; zóó luidde het:

Ik wilde eens spoedig aan d' overkant zijn:
Daar hinkte mijn zwarte veulen van pijn;
Toen gaf ik vleesch voor vleesch en bloed voor bloed,
En spoedig liep mijn beest weer goed.

Nu ging hare stem over in een onverstaanbaar gemompel. Aan 't slot der tooverspreuk kwam een herhaald: »Verdwijn, verdwijn," dat uitgezonden werd naar de vier hoeken der wereld.

In 't vuur der bezwering was zij opgesprongen; nu zette zij zich op nieuw aan den rand van den haard neder. Het koude vocht, dat verdampte, naarmate zij 't over mijn' brandenden, opgezwollen voet uitgoot, bracht eene aangename verkoeling te weeg.

»'t Schijnt reeds te helpen, Bertha," zeide ik; »maar zeg mij eens, welke woorden hebt gij toch over den brandewijn uitgesproken?"

»Ik zal wel oppassen, dat ik dit niet vertel;—dan zoudt gij me wellicht verklagen bij den predikant of den dokter," zei ze met een' grijnslach, die moest beteekenen dat zij om den een zooveel gaf als om den ander; »en die mij de kunst leerde," vervolgde zij, » moest ik beloven 't geheim aan geen enkel christenmensch te openbaren, behalve aan mijn eigen vleesch en bloed; en daarop heb ik zoo duur gezworen, dat God mij moge bewaren voor 't schenden van dien eed."

»Dan zal 't mij niet baten, indien ik er naar vraag,