Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/131

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


 

DE BEWONERS VAN LUNDE.

 

 

Eenige jaren geleden was ik op weg naar 't Gudbrandsdal, over Hadeland en Toten, langs den westelijken oever van het Mjösenmeer. Te Sveen, een station in Biri, kreeg ik een' luien knol, en een' hoog bejaarden, praatzieken voerman.

't Een noch 't ander bracht mij intusschen uit mijn humeur. Ik had geen haast; Svennaes, waar ik als gewoonlijk gastvrijheid en een nachtkwartier hoopte te vinden, kon ik toch bijtijds bereiken, en de ongewone levendigheid en de treffende opmerkingen van mijn' voerman over verscheidene bewoners van 't vlek, konden mij licht verzoenen met zijne buitengewone spraakzaamheid. Daarbij kwam, dat het een heerlijke lenteavond was. De zonnestralen verguldden de oppervlakte van het Mjösenmeer, kleurden de wolken en speelden tusschen 't jonge groen. De vlakten van den Faaberg, die ver in 't noorden het landschap begrensde, werden al donkerder en verloren zich in donkerblauwe en violette tinten, terwijl de avondzon haar' gouden glans wierp over de vruchtbare velden van Ringsaker aan de oostzijde van den fjord.