Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/130

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

116

EEN AVOND IN DE KEUKEN VAN DEN LANDHEER.

»Zie eens," zei ze, »zóó moet ge doen." En ze boog het samen, of 't een stuk lood was. »Houd nu den poot op," en 't hoefijzer paste zoo nauwkeurig, als de beste smid maar kon wenschen.

»'t Schijnt, dat ge heel wat kracht in de vingers hebt," merkte de man vol verbazing op.

»Vindt ge?" vroeg zij. »En als gij nu eens zoo sterk in de vingers waart, hoe zou 't mij dan wel gegaan zijn? Maar ik houd te veel van u, om mijne krachten aan u te toonen," voegde ze er bij.

»Van dien dag af was hij een man uit duizend voor haar.

»Nu hebben we voor van avond genoeg gehoord, dunkt me," sprak de vrouw des huizes, toen de vertelling uit was, terwijl zij opstond.

»Ja, en we mogen wel op de teenen vertrekken, want de oude is reeds naar bed," zeide de smid en wenschte ieder goeden nacht, maar niet voor hij den jongens beloofd had, den volgenden avond nog meer te vertellen, en in onderhandeling met hen was getreden over een rol tabak.

Toen ik 's namiddags den smid in zijne werkplaats had bezocht, was hij druk bezig met tabak kauwen: dit was altijd een bewijs, dat hij brandewijn had gedronken; des avonds was hij eerst nog het dorp in geweest, om meer te halen. Verscheidene dagen later vond ik hem somber gestemd en kon niemand een woord uit hem krijgen, schoon de jongens hem beide tabak en brandewijn beloofden. Maar de dienstmaagden fluisterden, dat de aardgeesten hem beet gepakt en hem op den Asmyr-heuvel ter aarde hadden geworpen. Daar had een voerman hem tegen den morgen gevonden, terwijl hij onverstaanbare woorden mompelde.