Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/165

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
151
OP EEN' SAETER

goed meer herinneren en heb ook nog eenige zaken te verrichten. Wees gij zoo goed, Thor, en verhaal het overige; ge weet het wel," en ijlings verliet hij het vertrek.

De meisjes schaterden het uit en beklaagden den armen schoolmeester om zijne jaloerschheid. Op mijn verzoek nam nu Thor het woord op en ging voort:

»In 't kerspel ligt eene hoeve, Öst-Eng geheeten; daar woonde een man, die Baard heette. Hij was ook jager en kon niet velen, dat Björn altijd zoo gelukkig was op de jacht. Deze Baard Öst-Eng had eene dochter, die Rundborg heette. Naar haar vrijde Björn ter sluiks, maar zoodra haar vader dit merkte, zwoer hij, als hij hem ooit op zijne hoeve vond, dat hij hem dan precies zou behandelen als een wild rendier; op staanden voet zou hij hem doodschieten.

»Mijne dochter zal zich nooit verslingeren aan een' landlooper," voegde hij er bij. Hij bestemde 't meisje nu voor iemand uit Skaarvangen. Dit was Selvor Oppistuen; hij was half simpel en een monster van leelijkheid. Rundborg smeekte wel, dat haar vader haar niet tot dit huwelijk zou dwingen, maar het baatte niets. Toch bracht ze het zoover, dat zij niet vóór de bruiloft, die met St. Jan zou worden gevierd, den bruidegom behoefde op te zoeken. De bruigom ging zelf de gasten te bruiloft noodigen en zoo kwam hij ook in 't boschvlek bij de familie en de buren der bruid. Op Sönste-Eng was hij reeds de deur uit, toen de eigenaar hem naliep en vroeg:

»Maar op welken dag moeten we komen? Dat hebt ge vergeten te zeggen."

»Ik weet het nog niet; 't zou morgen kunnen zijn, maar 't kan ook best eerst vandaag over eene week wezen; maar we zullen op de fluit spelen, als we voorbij-