Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/194

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
180
OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.

»Maar voor den drommel, wat steekt er dan achter met dat haas; heeft kruit noch lood er dan vat op?" vroeg ik.

»Wel mogelijk," antwoordde hij; »laat me u zeggen, dat het een betooverd haas is; maar wat gij gisteren gezien hebt, was slechts zijn dubbelganger; want zelf verschuilt het zich nooit. Wil ik u een' goeden raad geven? Neem een' worm — ik zal er wel een voor u zoeken — doe dien in den loop van uw geweer en schiet het af, dan kunnen we probeeren, of kruit en lood vat op het haas kunnen krijgen."

Ik volgde zijn' raad; hij bezorgde mij een' levenden worm, dien ik in den loop wierp; ik legde aan op den wand, en — daar was niets te zien dan eene vochtige plek.

Eenige dagen daarna zwierf ik over de vlakte van Sukkestad. 't Was vroeg in den morgen. Pas had ik mijne hazewinden losgelaten, of daar verscheen weer het haas. Ditmaal gaven de honden niet het minste geluid; in volle vaart vlogen ze het haas na, en nog geen half uur was er verloopen, of daar kwam 't over de vlakte huppelend recht op mij af. Ik lei aan en schoot. 't Viel dood op de plek neer en bleek een groote oude rammelaar, vol litteekens en schrammen; de helft van 't eene oor was het kwijt." —


»Van zulk een haas heb ik ook eens hooren vertellen," zeide Per, die met de grootste opmerkzaamheid het verhaal van den kapitein had gevolgd. »Het hield zich hier in Holleia op, naar den kant van Granbo; men vertelde mij, dat het bijna pikzwart zag. Menigeen had het nagezeten en er op geschoten, maar niemand wist er raad voor, behalve Sara-Anders. Hij velde het; maar — hij is ook een kerel uit duizend!"

»Dat geloof ik wel," zei de kapitein, terwijl hij den