Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/25

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

11

DE SAGE IN DEN MOLEN.

»Goê morgen," zei de man en hij was blij en verbaasd, toen hij den snijder weer zag, dat kan men begrijpen.

»Goê morgen, moeder," zei de kleermaker en reikte de vrouw de hand,

»Goê morgen," zei de vrouw; maar zij zag er bleek en verward en verschrikt uit, en hare handen verborg zij onder de dekens; — eindelijk toch reikte zij hem de linker. Toen begreep de kleermaker, hoe alles samen hing, maar wat hij den man zeide en hoe ’t sedert de vrouw verging, dat heb ik nimmer gehoord."

»De molenaarsche was licht zelf eene heks?" vroeg de knaap, die met gespannen aandacht had geluisterd.

»Jij vat het," antwoordde de oude.

’t Was bijna niet mogelijk langer een woord te verstaan; want de molen was weer met zijn geraas en geschuur aan den gang. De maan was opgekomen en na de korte rust was mijne vermoeidheid geweken. Ik zei dus den oude vaarwel en verliet den molen in gezelschap van den bangen knaap. Wij volgden het pad over de heuvelen naar Grefsen. Witkleurige wolkjes zweefden boven de rivier en de moerassen beneden in ’t dal. Boven den sluier van rook, die over ’t stadje hing, verhief zich Akershus met hare torens, die helder uitkwamen tegen den waterspiegel van den fjord, waarin eene smalle landspits zich uitstrekte als eene groote slagschaduw. De hemel was niet geheel helder en er was weinig beweging in de wolken en de lucht; het maanlicht mengelde zich met den schemer van den zomernacht en deed de omtrekken van ’t landschap op den voorgrond slechts flauw uitkomen. Maar boven den fjord straalde ’t schijnsel der maan blank en klaar, terwijl de Asker- en Baerumtoppen, in donkerblauwe