Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/24

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
10
DE SAGE IN DEN MOLEN.

sprong de kat weer naar den haard en wilde den pot omver smijten.

»St, kat, je brandt je!" schreeuwde de snijder en joeg haar van den haard.

»St, kat, je brandt je! zegt de snijder," zei de kat tot de andere katten, en weer begonnen ze alle te huppelen en te dansen en op eens vlogen ze naar den haard en trachtten den pot onderst boven te werpen.

»St, kat, je brandt je!" schreeuwde de snijder en schopte haar, dat ze over elkander heen buitelden, en toen begonnen ze weer te dansen en te springen als te voren.

Daarop sloten zij een kring om de krijtstreep en begonnen in ’t rond te dansen, al sneller en sneller, en eindelijk ging ’t zoo gauw, dat alles voor den kleermaker scheen rond te draaien, en zij keken hem aan met oogen, zoo groot en zoo vurig of ze hem wilden verslinden.

Maar terwijl zij hiermee bezig waren, stak de kat, die eerst getracht had den pot om te gooien, den bek binnen den ring, als of zij lust gevoelde den kleermaker aan te vallen. Zoodra deze ’t bemerkt, neemt hij zijn knipmes en houdt dit gereed. Weer steekt de kat den bek binnen den ring, maar, vlug als de wind, hakt de kleermaker haar dien af en toen vluchtten alle katten, zoo snel ze konden, al gillend en schreeuwend de deur uit. Maar onze kleermaker legde zich binnen den ring neder en sliep, tot de zon hoog aan den hemel stond en zijne slaapstee bescheen. Toen stond hij op, sloot den molen en ging naar de hoeve.

Toen hij ’t woonvertrek binnentrad, lagen man en vrouw nog te bed, want ’t was pinkstermorgen.

»Goê morgen," zei de kleermaker en gaf den man de hand.