Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/31

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

17

HET KROOST DER HULDREN.

komst? Gij weet toch, dat ik van de Huldren afstam en dat er heksenbloed door mijne aderen stroomt?

»Beste juffer," zei ik, terwijl ik inmiddels een weinig tot bezinning was gekomen, »ik begrijp u niet,...ik wist niets," voegde ik er bij om toch iets te zeggen, »van zulk eene verdachte afkomst."

»Nu, ’t is wel vreemd, dat mama, die u zooveel sprookjes en histories heeft verteld, u daarvan nooit iets heeft gezegd. Mijne grootmoeder of overgrootmoeder was eene echte Hulder. Luister slechts; maar als ge niet wilt dat ik doornat zal worden, moet ge mij toestaan vredig op de bank naast u te zitten. — Nu dan, mijne overgrootouders of bet-overgrootouders — dat weet ik niet recht — hadden op zekeren zomer de berghut betrokken. Zij hadden een’ zoon, en deze was bij hen. Toen ’t najaar kwam en zij de berghut moesten verlaten, zeide de jongeling, dat hij wilde achterblijven, want hij had lust om te zien, of ’t waar was, dat de Huldren hun kwartier in de hutten opsloegen, wanneer ze ledig stonden. Zijn’ ouders beviel dit niet; zij zeiden, dat hij niet aan de waarheid daarvan behoefde te twijfelen, wanneer zoovelen ’t vertelden. De zoon hield echter vol en eindelijk gaven ze hem hunne toestemming; zij lieten een’ grooten schotel melkbrij achter en vertrokken.

Juist toen de jongeling in gepeins zat verdiept, begon er leven te komen op het erf rondom de hut. Hij hoorde bellen klinken, runderen loeien, zwijnen knorren, en daar was een gepraat, een geroep, een sturen en stellen, precies als wanneer men in ’t voorjaar met ’t vee naar de hut komt. Allengs werd het stiller, en een oogenblik later kwamen er twee vrouwen binnen. De jongste van haar was zóó schoon, dat men haars-

2