Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/33

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

19

HET KROOST DER HULDREN.

tegen haar’ zin gehandeld; ’s nachts daarop hoorde hij een verschrikkelijk leven en geraas. Maar toen hij ’s morgens in het voorhuis kwam, zag hij ’t heele erf vol van allerlei benoodigdheden voor ’t boerenbedrijf en de huishouding. Daar waren koeien en paarden, ploegen en hooisleden, nappen en emmers en alle mogelijke zaken.

Toen de oogsttijd weer naderde en de kool groot werd en de vrouw de slacht moest in orde brengen, had zij hakbord noch haktrog. Zij verzocht daarom haar’ man de bijl te nemen en den berg op te gaan om den grooten den te vellen, die op den weg naar de berghut stond; daarvan moest hij haar een’ haktrog maken.

»Ik zou haast denken, dat je zot waart, mensch," zei de man; »zou ik den besten boom in ’t bosch vellen, om er een’ haktrog van te maken? En hoe zou ik dien thuis krijgen in dezen tijd; de stam is zoo zwaar, dat geen paard in staat is hem voort te sleepen."

Toch bleef zij aanhouden; maar toen de man stellig bleef weigeren, nam zij de bijl, ging naar ’t bosch, hieuw den denneboom om, nam hem op den schouder en bracht hem naar huis. Toen haar man dat zag, verschrok hij zoo, dat hij sedert haar nimmer dorst tegenspreken, of iets anders doen dan zij wenschte, en van dien tijd af waren zij de eensgezindheid zelf.

Ziedaar de historie. Welk een sterk en lastig man mijn grootvader was, hebt gij zeker vernomen; mijn’ vader, den landheer, kent gij," zei ze half dreigend, half schertsend: »gij kunt u dus voorstellen, wat u te wachten staat, wanneer ge mij ernstig boos maakt."

»Ge schijnt hier te willen blijven Marie," zeiden de knapen, die zich met een’ blauwzwarten mond in de deur vertoonden, elk met een’ verbazenden bessentak in