Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/35

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

21

HET KROOST DER HULDREN.

boven onze hoofden. Verbaasd leende Marie het oor en staarde naar de donkere bladerrijke kroon, alsof zich daarin alle gevleugelde zangers des wouds hadden verborgen. Ik herkende die tonen; zij kwamen van een' zeldzamen gast in deze streek: 't was de goudleeuwerik die dit concert gaf. Hij was in den besten luim; zijn toon was doordringend als die van den valk en zoet als de zang van 't sijsje. De trillers van den leeuwerik, 't wijsje van de musch, het gekweel der zwaluw gaf hij ons beurtelings ten beste; hij kende de tonen van den lijster zoo goed, als die van elken anderen zanger in 't loof. 't Was eene ware potpourri van vooglenliederen, nu jubelend, dan treurig.

»Hoort ge dat?" riep Marie, terwijl zij opsprong en rondom den boom danste, »in die tonen herken ik mijn' Huldrenaard; ik voel, dat ik hier thuis behoor, evenals gij u te huis gevoelt in de stad en in de boeken, bij tooneelvertooningen en draaiorgels."