Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/49

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
35
EEN NACHT IN NORDMARKEN.

toch mee, ik neem ze toch mee, ik neem ze toch mee!" riep ze onophoudelijk en reed voort. »Ja, naar de hel neem-je ze meê," zei grootvader, maar op eens was ’t wijf verdwenen en de ketel met geld weggezonken.

»Een andermaal zal ik zwijgen," dacht grootvader, en ’t duurde niet lang, of hij was al weer bezig. Ditmaal was er een oud wijf, dat een’ grooten koperen ketel vol geld had gezien, terwijl zij over ’t veld ging bij Greffen in ’t kerspel van Akers. Drie dagen vóór Sint Jan ligt het geld bloot, moet ge weten, maar hij dorst er niet aankomen, omdat eene groote slang zich boven in den ketel heen en weer kronkelde. Nu waren er twee kerels uit Christiania: de een was een winkelier, die in goeden doen zat; de ander was onderofficier; dezen sloegen met grootvader de handen ineen om den ketel op te graven. Zij aan ’t spitten, — drie donderdagavonden achtereen; den derden avond stieten ze op de hengsels, dat zij ’t geld konden hooren rammelen; zij hoopten ’t dus spoedig meester te zullen worden. Maar luister nu, wat wonderlijks er gebeurde! Op eens scheen ’t den winkelier, dat zijn huis in de stad in lichterlaaie vlam stond, en schoon ’t zoo’n eind ver was — ge weet, ’t is eene halve mijl van Greffen af — verbeeldde hij zich duidelijk te zien, dat zijne vrouw midden in de vlammen stond met een kind in de armen. »Nu wordt ’t voor mij tijd om te vertrekken," zeide hij, wierp zijne spade neer en wilde heensnellen; maar op eens was de vlam verdwenen en met haar ’t geld; de ketel was weggezonken.

Maar, zooals ik zei, ’t was een kerel, mijn grootvader, voor geen klein geruchtje vervaard! Ten slotte ging hij op zekeren donderdagavond geheel alleen naar eene plek, waar hij wist dat geld verborgen lag. Hij