Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/56

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

42

EEN NACHT IN NORDMARKEN.

Toen de boer dit gehoord had, was hij spoedig bezig met den stal omver te halen en hem op eene andere plaats weer op te bouwen. Maar hij behoefde dit niet alleen te doen, want des nachts, als alles sliep, werd er even druk getimmerd als des daags, en hij begreep zeer goed, dat niemand anders dan zijn buurman hem zoo goed bijstond. Ook later rouwde ’t hem volstrekt niet, dat hij den Hulder had gehoorzaamd; want altijd had hij voeder en koren in overvloed en zijn vee gedijde uitstekend. Eens—’t was toen een zeer onvruchtbaar jaar—had hij zoo weinig voeder, dat hij er ernstig aan dacht, de helft van zijn vee te verkoopen of te slachten. Maar op zekeren morgen, toen de meid in den stal kwam, was de hond verdwenen en alle koeien en al ’t jonge vee met hem. Gij kunt denken, hoe zij schrok en hoe snel ze naar haar meester liep om het te vertellen. Doch deze vermoedde dadelijk, dat zijn buurman ’t vee in den kost had genomen. En zoo was ’t ook, want toen ’t voorjaar aankwam en ’t weer groen werd in ’t bosch, hoorde men op zekeren morgen den hond vroolijk blaffende van den boschkant naderen, en achter hem aan kwam al ’t vee, oud en jong, en ’t was een lust op te merken, hoe flink ’t er uitzag."

—————

Bij ’t schijnsel van ’t vuur legden we ons ter ruste en genoten een paar uur lang een’ verkwikkenden slaap op de naakte rots. Toen de dageraad over de bergen aanbrak, voeren we reeds rond op ’t meer. Want de Hadelander, die de onzekere kans op eene voordeelige vangst had opgegeven, om mij behulpzaam te zijn en korf en vischtuig voor mij te dragen, had den ouden