Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/58

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


 

DE KONING VAN DEN EGEBERG.

 

 

In mijne jeugd plachten wij—eenige makkers en ik—elken zondagmiddag naar den Egeberg te gaan. De heele week verlangden we met ongeduld naar dien achtermiddag, den eenigen, dien we in de open lucht konden doorbrengen; naar de geurige hagedoorntakken, die we zouden afbreken; naar de wilgen fluitjes, die wij zouden maken; naar de blinkende bergkristallen, die wij zouden vinden, en de zoete aardbeziën, die wij zouden plukken. Toen wij ouder werden, lieten we wel de wilgen vredig staan en ontroofden den heggen haar sieraad niet meer; maar nu en dan herhaalden we toch onze uitstapjes, en op de velden van den Egeberg maakten we vroolijk jacht op den fraaigevleugelden Apollo, of wij snelden de dorre vlakte om den bouwvalligen wachttoren rond, om den ridderlijken Machaon te vangen, die in zijne luchte vaart meermalen ons geduld op eene zware proef stelde. Wat intusschen den Egeberg vooral zoo aantrekkelijk voor mij maakte, waren noch de geurige hagen, noch de purperkleurige Apollo of de zwavelgele Machaon, maar de romantische geheim-