Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/69

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
55
VAN »FJELD EN SAETER.”

»Ja, en wanneer de regen over is, toch heen gaan, niet waar?” vervolgde zij lachend. »’t Kon werkelijk de moeite waard zijn, uw’ raad te beproeven! — Welnu, ’t zou dwaas van mij zijn, me langer te laten bidden; luister dus, en gij zult hooren, dat uw verlangen naar mijn verhaal kwalijk gerechtvaardigd wordt.”

»Op een’ zomerdag, terwijl ik op den Saeter logeerde, gingen Trine en ik met een der Saetermeisjes naar buiten om braambeziën te zoeken. Het was een heldere dag en geen windje deed zich hooren. ’t Had den vorigen dag geregend en de lucht om den berg was zuiver en klaar. In de kloven en tusschen de steenen wiesen eene menigte planten met groote, witte, welriekende bloemtrossen. Woudhoenders vlogen op voor onze voeten en zochten angstig naar hunne jongen tusschen de wilgen en ’t jonge berkenhout.

»Toen wij bij de marschvlakte kwamen, waar de bessen groeien, zagen wij den grond bedekt met roode en gele vruchten, en aan de kanten en op de heuvels stonden eene menigte bloemen met zulke fraaie kleuren, als ik nog nooit had gezien; zij vervulden de lucht met de heerlijkste geuren. 0, ’t was zoo zoet, die lucht in te ademen en de kleine Trine was zoo blij: ze vloog van de eene bloem naar de andere en klapte in de handjes en werd niet moede de bloemen te plukken en te bewonderen. En Brita praatte over hare koeien en geiten en over de rendieren, die zij had gezien, en vertelde eene menigte sprookjes en wonderlijke dingen van fjeld en saeter. Onder hare vertellingen en haar vriendelijk gesnap waren onze korfjes van berkenschors spoedig gevuld met braambessen en bloemen, en weldra begonnen wij aan terugkeeren te denken. Eerst nog zetten we ons wat neder in ’t frissche gras bij een wacht-