Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/71

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
57
VAN »FJELD EN SAETER.”

vandaan en eenige andere arbeiders. De melksters hadden allen, tegen ’t najaar, met het vee den Saeter verlaten en de arbeiders moesten nu mos halen tot wintervoeder. Terwijl ze ’t mos naar de berghelling brachten, kwamen er op eens tal van jonkvrouwen aanzweven, zoo heerlijk uitgedost, dat zij een’ bruidsstoet waanden te zien en de oogen bijna niet dorsten opslaan. Hare lange slepende kleederen glinsterden in de zon, of ze van zijde waren, en op ’t hoofd droegen zij zilveren kronen en andere sieraden. Zoolang de mannen haar stonden aan te staren, stonden ook zij stil of zweefden heen en weer, maar toen zij voortgingen met hun’ arbeid, volgden de jonkvrouwen hun voorbeeld. Of de mannen haar met mos wierpen, daar stoorden ze zich niet aan. En telkens als Paul en zijne makkers de plek naderden, waar zij de jonkvrouwen zagen, waren ze verdwenen, maar als zij dan weer op de plaats waren gekomen, waar ’t mos werd verzameld, dan zagen ze haar op nieuw en zoo duurde dit den ganschen dag.

In ’t voorjaar waren twee dezer mannen met nog een’ derden even benoorden Valfjeld geweest om rijshout te hakken. In ’t middaguur, nadat zij hadden gegeten, vielen twee van hen in slaap, terwijl de derde nog zijn middagmaal zat te gebruiken. Daar hoorden ze op eens zulk een verrukkelijk vioolspel, als ze nog nooit hadden vernomen; zij spraken er met elkander over en hielden zich dus stellig overtuigd, dat ze niet langer sliepen. Meer dan eens klonken hun die heerlijke tonen in het oor en een van hen »neuriede”, naar Brita verzekerde, »nog lang daarna de wijs van ’t lied zoodat men niet aan de werkelijkheid van ’t gebeurde kon twijfelen.”

Nog veel meer wist Brita te verhalen van de aard-