Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/83

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
69
DE VERTELLINGEN VAN DEN DOODGRAVER.

viel zijn oog op mij, dien hij nog niet had bemerkt.

»Goeden avond, doodgraver," zei ik.

Hij mat mij van 't hoofd tot de voeten, spuwde in de holle hand en ging voort met spitten.

»Dat is zwaar werk in dit natte weer," ging ik onverdroten voort.

»Als de zon schijnt, is 't niet lichter," antwoordde hij met een' azijnzuren grimlach, en ging voort met delven.

»Voor wien maakt ge dit graf?" vroeg ik, in de hoop, dat zich wellicht uit deze vraag een gesprek zou kunnen ontspinnen.

»Voor den duivel en de kerk," antwoordde de doodgraver. — Ik begreep dat niet recht, en vroeg nadere verklaring.

»De duivel krijgt de ziel en de kerk het geld," antwoordde hij.

»Zoo bedoelde ik het niet, ik meende, voor wien dat graf bestemd is?"

»Voor een oud wijf," antwoordde de man.

Die brug was afgebroken. Ik begreep, dat ik op deze wijs tot geen bevredigende uitkomst zou geraken. Ongeduldig over den regen, die met vernieuwde hevigheid neerviel, en korzelig, wijl naar alle waarschijnlijkheid mijne expeditie zou mislukken, vertelde ik den doodgraver, dat ik hem had opgezocht om sproken en vertellingen van hem te hooren uit den ouden tijd. Ik zei, dat ik 't niet voor niemendal verlangde, maar dat 't hem toch plezier moest doen, nu eens iemand te ontmoeten, die aan deze dingen geloofde, wat zoo zelden meer gebeurde in onze dagen.

Onder deze toespraak keek de doodgraver mij nu en dan met zijn' hoofdigen paardeblik aan, die al mijne hoop den bodem insloeg.