Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/97

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
83
DE VERTELLINGEN VAN DEN DOODGRAVER.

nam de kan, zette haar midden op den grond en trok er met krijt een’ wijden kring om heen. »Nu neemt gij een’ knuppel." zeide hij tot den hofmeester, »en als ik u een’ wenk geef, slaat gij daarmede midden in den kring; let niet op ’t geen ik doe, maar zoodra ik ze alle binnen den kring heb, dan slaat gij er uit alle macht op los."

Nadat hij dit had gezegd, begon hij om den kring heen te rennen; hij sprong nu hoog, dan laag, en schopte en joeg met inspanning van alle krachten. De hofmeester viel haast om van pret over al de dwaze gebaren, welke de knaap maakte, en allen, die ’t aanzagen, geloofden stellig, dat hij niet bij zijne zinnen was. Maar toen hij den afgesproken wenk had gegeven, bemerkten ze, dat hij niet zóó gek was, als ze meenden; want toen de hofmeester er flink op los sloeg, hoorde men een verschrikkelijk geschrei en gejammer door ’t heele huis, en sommigen, die later ter bruiloft kwamen van den kant van Komperud, verhaalden, dat zij een gedruisch in de lucht hadden gehoord, of er eene groote schaar vogels boven hun hoofd vloog, en stemmen, die riepen: »Naar Komperud, naar ’t doopfeest, naar ’t doopfeest op Komperud!"

Hier eindigde Peter, de doodgraver, zijne vertellingen. Hij verklaarde dien avond volstrekt niets meer te weten en ging heen, nadat hij eerst nog den bok van den klokkeluider het kerkhof had afgejaagd.