Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/98

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


 

BERTHA TUPPENHAUG'S VERTELLINGEN.

 

 

Reintje was uit zijn hol gejaagd en geschoten; wij dronken bier ter eere van den doode bij den schout en sloten 't rouwmaal met een' vroolijken dans.

Met 't oog op den vermoeienden dag, welken wij achter den rug hadden, den roem, dien wij hadden ingeoogst, en, wat mij betreft, de drie kwartier, welke ik had af te leggen, namen wij kort na elven afscheid. De schout bood aan mij zijn paard te leenen. 'k Was erkentelijk voor deze heuschheid, maar wijl de rijweg dubbel zoo lang was, verkoos ik te gaan, zooals ik was gekomen, langs den kortsten weg en op sneeuwschoenen. Met den vossehuid en 't geweer over den schouder en den staf in de hand, reed ik heen. De weg was uitmuntend: den heelen dag had de zon geschenen en de koude van den avond had de sneeuw met eene harde korst bedekt; de maan stond klaar aan den hemel en de sterren tintelden. Wat kon ik meer verlangen? Vlug gleed ik heen over de heuvels en vlakten en tusschen de ranke berken door, wier kronen als zilveren koepels in de lucht schenen te zweven en waarin de uilen in den stillen nacht