Pagina:Ornithologia Neerlandica 1.djvu/56

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

20

 

Genus Colymbus Linnaeus.

 

Linnaeus, Syst. Nat. ed. X, 1758, p. 135.

De type van het genus Colymbus is de parelduiker, Colymbus arcticus. De kenmerken voor dit geslacht zijn dezelfde als voor de familie genoemd. De zeeduikers zijn bewoners van het noordelijk halfrond, die in de oude wereld in den winter tot de kusten van Algiers en aan die van de Zwarte en Kaspische zee zijn waargenomen. Van de vier in ons werelddeel voorkomende soorten zijn er drie in ons land waargenomen, uitsluitend op den trek en als wintergasten.

Tabel ter bepaling der soorten.

1. snavellengte, gemeten van de voorhoofdsbevedering tot de punt, 70 mm.
of meer, achter de neusgaten meer dan 20 mm. hoog, vleugellengte 340
mm. of meer ........................................
C. immer.
snavellengte minder dan 70 mm., achter de neusgaten minder dan 20
mm. hoog, vleugellengte hoogstens 335 mm ........................................
2.
2. snavel recht, niet opwaarts gebogen; bovenzijde ongevlekt of meer
groote witte vlekken op de schoudervederen ........................................
C. arcticus.
snavel zwak opwaarts gebogen; bovenzijde met kleine witte vlekjes
bezaaid ........................................
C. stellatus.

Colymbus immer is de grootste der bij ons voorkomende soorten; hij is gemakkelijk te herkennen aan zijne grootte, vleugellengte meer dan 340 mm., en aan zijn zwaren snavel. Kleine voorwerpen van C. arcticus zijn van gelijke grootte als C stellatus; behalve aan den steeds opwaarts gebogen snavel is deze laatste in het winterkleed gemakkelijk te herkennen aan de talrijke witte vlekjes, waarmede de rugzijde bezaaid is. Een vierde in Europa voorkomende soort, echter nog niet in Nederland waargenomen, is Colymbus adamsii Gray; deze gelijkt in grootte en kleur zeer op C immer, is echter steeds te kennen aan den langeren, in elken leeftijd geelwitten, en meer rechteren snavel. Deze soort bewoont het hooge noorden van Azië en Amerika en is in den winter waargenomen in Scandinavië, Engeland, zelfs in Oostenrijk en Italië, zoodat de mogelijkheid bestaat, dat zij ook in ons land waargenomen wordt.

De zeeduikers leggen hun prachtkleed in het voorjaar aan en zijn in Mei veelal volkomen uitgekleurd. Zij dragen dit prachtkleed tot in Augustus en leggen dan hun winterkleed aan, dat in September voltooid is. Sommige voorwerpen schijnen uit dit kleed weer spoedig in het prachtkleed over te gaan, daar men soms in November en December reeds volkomen uitgekleurde exemplaren aantreft. Andere voorwerpen dragen in April en Mei soms nog geheel of gedeeltelijk hun winterkleed.