Pagina:Pallieter.pdf/124

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


‘Kom, kom,’ zei Pallieter, haar troostend, ‘'k was 't vergeten dagge wiezeke waart.’

En daarmee was de ruzie uit en 't werk geraakte gedaan.

Charlot sloeg een anderen rok aan, rolde haar mouwen naar omleeg en droeg den grootsten pot naar den pastoor.

Pallieter nam er een voor Fransoo zijn vriend, de schilder, en een voor het arme Gasthuizeken, ook aan den anderen kant der Nethe gelegen.

Hij vaarde een heel eind met het schuitje het water op, en stak toen over, lei zijn boot vast, en met een pot op zijn schouders en met een pot in zijn arm, stapte hij den malschen klimmenden wegel op, en floot een scherp deuntje.

Over de potten volgde steeds een gegons en gestippel van bieën, hommelen en wespen; in een herbergsken ging hij zijn dorst lesschen; 't was slecht bier, en als hij buiten kwam, hongen de beestjes seffens weer rond de zoete potten te draaien.

Ginder hoog boven de boomen rees de oude molen op. Hij draaide vreedzaam zijn roode wieken in den kalmen zuiderwind, en liet een koperen windhaan schitteren, en nu de zon zeer machtig straalde was helder het mos dat zoo weelderig de zwarte houten romp beplakte en bestreepte.

Het was een schoone molen, hij hong wat achterover, hetgeen hem nog vriendelijker maakte en hij domineerde over 't land, trotsch als een kerk, en was van alle kanten zichtbaar.

Pallieter ging er geren op, want hij had er steeds