Pagina:Pallieter.pdf/126

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


en ver gonsde de pikke, overal draaiden de molens en hier joegen de wieken zoevend en ratelend, met een zweep wind, voorbij zijn verwonderd gezicht. Hei! dat was allemaal om 't brood te maken; het manna dat uit de aarde komt!

En hoog daarboven sloeg de zon heur licht het heelal in.

‘Hei!’ riep Pallieter tot Fransoo en zijne vrouw, die van den honing aan 't proeven waren - ‘ziet de Wereld! ze baart! ze geft zog! Kom lot ons fieste! lot ons deur 't kore gaan, de eerde kusse, en verdrinken in de grond!’

Ze gingen beneden bij den mulder een glasken rooden wijn drinken en Pallieter kreeg van Leonie, Fransoo's vrouw, een grooten bloemekee van safraan-oranje rozen; dat was uit dankbaarheid voor zijnen honing, en hij duwde er zijnen neus in, en deed zijn oogen toe van overgroote deugd.

En dan ging Pallieter met Fransoo den anderen honingpot naar 't arme gasthuis dragen. Zij droegen hem elk bij een oor.

Zij gingen langs het koren.

Hier stond het nog volop geel te rijpen, voorover gebogen van de zware aren, en van onder bedrest met blauw en rood; dáár waren ze het dan weer aan 't afpikken, een ploeg mannen met luidruchtige bindsters, of een ventje alleen. Heelder plekken waren hier en daar reeds afgedaan, en stonden thans vol schoongereide schoven. En overal hong het hevige licht van de zon als kransen rond, rond de aren, de boomen en de gebogen menschen,