Pagina:Pallieter.pdf/127

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


en de hitte bibberde daarboven altijd eender als een zenuwachtig water.

Pallieter en Fransoo waren uitgeklapt en zwegen. Ze gingen op gelijke passen voort, altijd achter het stof dat hunne voeten opwolkten; en 't eenige geluid was hunnen asem, het kletsen van een korenaar tegen hun gezicht, en het gonzen van de bieën rond den honingpot.

Zoo waren zij al een heele tap gegaan, en Pallieter zijn mond was poederdroog van dorst, en hij had een verschrikkelijke goesting naar den smaak van bier gekregen.

Maar ze waren ver in 't land en daaromtrent geen simpel herbergsken. En hij wrong met moeite speeksel in zijn aan leder gelijkenden mond.

Maar na nog een kwartierken gaans, zag hij uit een hollen weg een bierkar koperflitsend komen afgeroteld en hij riep - ‘Hoera!’

‘Wat is het, Bruur?’ vroeg Fransoo verschietend.

‘We hemme deurst en ginder is bier!’ riep Pallieter, ‘lot ons drinken!’

En zij liepen dweers door 't koren naar den wagen toe.

‘Hela!’ riep Pallieter den aanrollende rooden dikken voerman toe. ‘Verkoept ons is 'n tonneke bier! We stikke!’

‘Alles is verpast!’ riep de vent voortrijdend.

‘Ta, ta, ta, ik geef oe dobbel winst!’ riep Pallieter terug.

‘Allé dan!’ zei de vent, hij hield het peerd in. ‘Neem daar mor e vaatje bock, da kunde seffes