Pagina:Pallieter.pdf/22

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


Het tweegevecht.

NA het eten smoorde Pallieter een pijp, wandelde eenigen tijd in den hof om zijn eten te doen zakken, en gaf pieren aan de goudvisschen.

En dan reed hij op het blauw hondenkarretje naar de meulder van over de Nethe om een zak graan en een halve zak terwe.

Die meulder was de vader van Fransoo, de landschapschilder, Pallieters beste vriend.

Loebas baste van vreugd, en liep met korte, rappe stapkens. Zij rolden over de tempelachtige Begijnenvest en een endeke door het zuivere stadje, dat op dit uur vol zonneschijn en stilte lag, met het geklang van twee kasseiers.

Als zij op den bleeken steenweg kwamen, die met ronde bochten door de schoone velden draaide dan verlengde Loebas zijn voorste pooten, en liep zoo hevig dat het karretje er op zij van slingerde, en knetste en lonkte op de bulten der kasseien.