Pagina:Pallieter.pdf/28

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


de velden, lekte van de boomen, plakte op de stammen, en vergulde de witte koeien en de witte gevelen der huizekes waarvan de ruiten gensterden.

Het water was drijvend goud. Daar was geen wolkske. Vleermuizekes trilden zwart op het verdonkerend blauw, waarin twee sterren schenen en dunne nevelen kwamen op het water, stegen over het lisch en de waterbloemen en schoven over den dijk de beemden in, die geurden.

En in die heilige stilte van den avond kwam de gele maan omhoog en tampte van heel ver het klaar beggijnhofkloksken los.

Toen liep Pallieter zijn hert over. Het was tè schoon om te zwijgen, hij moest den diepen vrede, het zuute avondgevoel met woorden tot zijn eigen kunnen zeggen. En hij zei:

‘'t Pardoent, en op de klokke slaat
Gods Engel in een wolkgewaad.
Ave Maria!
't Pardoent, en 't vleeschgeworden Woord
bij arme liên te huis behoort.
Ave Maria!...’

En hij liet zich zoo maar voortdrijven door de nevelen en den avondreuk.

Als hij aan kant wilde stappen bleef hij recht in het schuitje staan, luisterend naar een verren herder die toette op zijn horen.

En daar was een traan in zijn oogen....