Pagina:Pallieter.pdf/4

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

2

‘Die mi morghen wecken sal
dat salder wesen die nachtigal
die nachtigale soete;
ick wille dan gaen in genen dal
die suvere bloemen groeten...’

Timmermans Felix Pallieter 001 2.jpg

Morgen was het opnieuw zonlucht!

Hij kon er moeilijk van slapen en had bijna den heelen nacht, met het venster wagenwijd open, wakker gelegen. Hij hield den wolkbrekenden hemel in 't oog, die na lang wachten gezuiverd was en fijn blauw bleef, bedrest met bleeke sterren en gevuld met klaren maneschijn.

En in die stille, nieuwe heerlijkheid, waarin de dauw zoel neerzeeg, speelde omhoog het perelende lied van een jongen nachtegaal. Pallieter rilde. En hij dacht aan de zon, die nu nog ver achter de wereld zat, ievers bij de Moorkens en de Chineezen. Morgen zou ze opnieuw het zoete Netheland beschijnen en ze zou de boomen en planten van geweld doen spreken en klappen, de bloemen doen breken van reuken, de bosschen doen denderen van 't danig vogelengefluit en hemzelf, Pallieter, een voet doen