Pagina:Pallieter.pdf/46

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


noenuren gingen vol warme zon over de vruchtbare wereld.

En rond vier uren opende Pallieter het zwarte bakhuis van den broodoven. 't Was alsof hij een heilige kast opende, zoo stonden zijn oogen nieuwsgierig gespannen. God! wat 'n warme, zoete reuk van eieren, bloem en melk sloeg hem bedwelmend in 't gezicht! En wat een smakelijk gouden koleur bloemde op uit de schemering van den oven! Hij haalde de brooden er voorzichtigjes uit en lachte hardop om de diepbruine kleur die naar de kanten blond en geel neerdaalde. Er waren weelderige scheuren in, die het blanke brood-hart lieten zien, en Pallieter plukte er van goesting de losse zijlapjes af.

De toerten waren welgelukt en schoon en geurig om een Sint Antonius te verleiden. En de zon die door het venster plonsde blonk schitterend in de roode en gele confituren.

Maar ineens verduisterde het licht, en daar kwam een groote, grauwe wolk voor de zon geschoven. Pallieter kon het bijna niet gelooven en Charlot kwam in de bakkerij geloopen, lamenteerend:

‘Ejé! dormee is 't goe weer nor de knoppe!... En de kermis en de processe!... Och Jezus-Maria-Jozef, ik gon algij ne pottenoster leze!’

Ze liep terug weg, naar heur kamer, waar ze nêerviel voor haar Scherpenheuvelsch Lievevrouwken en, met toeë oogen, begon te bidden.

En klets! daar viel de regen.

‘Ja, mor dor van geproffeteerd!’ riep Pallieter.

Hij liet de toerten staan en liep naar buiten in den hof.