Pagina:Plantenschat - inleiding tot de kennis der flora van Nederland (1898).djvu/107

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 48 —

Mattebies.—Scirpus lacustris.

Dicht naast de Gramineeën en de Juncaceeën vindt men, zoowel in de rangschikking der gewassen, naar het natuurlijke stelsel, als in de werkelijkheid aan den rand van onze slooten en plassen, de Cyperaceeën. Deze hebben geen of een slechts uit haren bestaand bloemdek, doch elk bloempje zit in den oksel van een kafschubje, dat nog de rol van de bloembekleedsels mee helpt spelen. Er zijn 3 meeldraden, waarvan de helmknoppen aan hun voet aangehecht zijn, en één stamper, met 2 of 3 stempels, die een eenzadig vruchtje levert, waarbij de vruchtwand, niet, zooals bij de grassen, stijf aan het zaad vastgegroeid, maar los daarvan is, zoodat het een dopvruchtje of nootje vormt. De stengel heeft geen knoopen en de bladeren hebben een gesloten scheede, niet eene die, als bij de grashalmen, over de geheele lengte gespleten is.

Bij de hier afgebeelde Matte- of Stoelebies, waarvan de naam het gebruik reeds aanwijst, kan er trouwens van bladeren weinig sprake zijn. Van onderen komen er uit den wortelstok niets dan een aantal bladscheeden, die daar aan den stengel eenigen steun geven, en van boven heeft de plant wel een blad met een smal puntig toeloopende lintvormige schijf, maar dit is stijf en droog en niet erg geschikt voor de functie van ademhaling en uitwaseming. Deze laatste verrichtingen komen daardoor grootendeels voor rekening van den wel 1 à 2 meter langen slanken stengel, die groen en zeer licht is, daar hij uit een los luchthoudend weefsel is gevormd. Hij is bij deze soort Scirpus tot bovenaan toe glad en rond, terwijl hij bij andere soorten geheel, of alleen van boven, driekant is.

Ook zijn er nog bladachtige deelen, echter eveneens meestal droog en vliezig, die als schutbladen zitten aan den voet der aartjes, die de bloempjes bevatten, welke hier allen, rondom den in 3 stempels eindigenden stamper, behalve de 3 meeldraden, 6 scherpe borstels bezitten, voorzien van naar onderen gerichte weerhaakjes.

Van de Cypergrassen komen ten onzent een 80tal soorten voor, dus bijna tweederden van het aantal, waarop de echte grassen mogen bogen. Behalve het geslacht Scirpus met een dozijn soorten, heeft men o. a. Cyperus, waarvan beide inlandsche soorten echter zeldzaam zijn, Eriophorum, dat bij ons algemeen is en om de lange haren, die daar het bloemdek vertegenwoordigen, Wollegras genoemd wordt en Carex, het talrijkst in soorten, waarvan de Carex arenaria, de Zandzegge onzer duinen, om zijn vele meters langen wortelstok beroemd is.

v. U. en B., Plantenschat. 4.