Pagina:Plantenschat - inleiding tot de kennis der flora van Nederland (1898).djvu/188

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 89 —

Zandklokje.—Jasione montana.

Dit is een echt kind van het zand, dit lichtblauwe, op hoogen, bijna bladerloozen stengel nog al kaal en enkel staande bloemhoofdje. Bij nader bekijken blijkt het echter, dat wij hier niet met een hoofdje te doen hebben, daar ieder bloempje een eigen steeltje heeft. De gelijkenis op een Composiet werd overigens versterkt door het fraaie en forsche omwindsel, dat witachtig is en uit twee rijen mooie puntige groengerande blaadjes bestaat. Een eerste blik op het blauwe Zandklokje doet u slechts smalle, lichtblauwe, keurig uitgeknipte franje zien. maar zoo ge gaat onderzoeken, bemerkt ge, dat het de massa lange smalle slipjes zijn van de menigte vijfslippige bloemkroontjes, omgeven door nog weer fijner groene kelkslipjes.

Midden tusschen elk vijftal kroonslipjes ziet ge een keurig wit sterretje, gevormd door de naar elkaar toegebogen helmknopjes van 't vijftal meeldraden; men kan ze best van elkaar losmaken en den helmdraad tot beneden volgen. Duidelijk valt ook het onderstandig vruchtbeginsel in 'toog en de door het genoemde sterretje passeerende stijl met den eerst paars, later rose gekleurden, nog boven de bloemfranje uitstekenden stempel, die van buiten haartjes bezit, daarmee 't stuifmeel uit de helmknoppen veegt en eerst als hij dat door den wind of door insecten verloren heeft en de stijl is opgeschoten, zijn twee lobben uiteenslaat om vreemd pollen te ontvangen; vandaar die kleurwisseling.

Al lijkt die Jasione oppervlakkig niet op de mooie groote Campanula, haar kleur zou haar verwantschap ermee reeds verraden, zoo niet ook de meer wezenlijke kenmerken overeenkwamen.

Zoo arm aan bladeren als de stengel in de hoogte is, zoo rijk bebladerd is hij beneden. Langwerpige zittende bladeren, sterk afstaand behaard, vindt men aan de, uit den wortel opschietende stengels, waarvan zoo merkwaardig meestal één, de middelste, rechtovereind staat, terwijl de andere, soms een tien- of twaalftal wel, neerliggen of zich flauw opwaarts buigen. De benedenste bladen zijn meer afgerond aan den top dan de bovenste, alle echter zittend en betrekkelijk klein in evenredigheid van de plant.

Plantenschat 1898-paginadecoratie 13.png