Pagina:Plantenschat - inleiding tot de kennis der flora van Nederland (1898).djvu/200

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 95 —

Groote waterweegbree.Alisma plantago.

Een echt kind van ons waterrijk Nederland, een onontbeerlijk lid van onze zoo interessante slootflora. Hoog, 5 tot 8 decimeter, steekt de fraaie pluim boven het water uit, en daarvoor moet de stengel, die uit den in den slijkerigen bodem zittenden wortelstok opstijgt, wel twee maal zoo lang zijn. Is het water nog dieper, dan schijnen de lange stelen, dik en licht door het ruime luchthoudende weefsel er binnen, niet stevig genoeg om de bladeren rondom de bloempluim buiten het water te doen oprijzen, en voorziet de natuur de plant van lange smalle bladeren, die niet beproeven zich in de lucht te verheffen, maar op het water drijven.

Gewoonlijk echter zijn de bladeren gevormd zooals zij op de afbeelding te zien zijn, zoodat de naam Froschlöffel, dien de Duitschers aan de plant geven, even goed gemotiveerd is als onze naam Waterweegbree, die duidt op de gelijkenis in vorm met de bladeren van de Gewone weegbree, de Plantago, die in plaats van in 't koele water langs stoffige wegen groeit. Maar voor den Duitschen naam zijn de bladeren wat groot en de Nederlandsche zou niet doen denken, dat ze zoo fraai zijn als werkelijk het geval is.

Behalve aan die kromnervige bladeren, ziet ge terstond dat we hier met een eenzaadlobbig gewas te doen hebben, aan het standvastige voorkomen van het getal 3. Er zijn 3 lichtgroene kelkblaadjes, 3 grootere lichtrose, aan den rand aardig fijn uitgesneden en aan den voet geel gevlekte kroonblaadjes en tweemaal 3 meeldraden, bij paren tegenover de laatsten gezeten. De stampers verloochenen het drietal wel eens, want hun aantal, in 't midden tot een plat kogeltje vereenigd, bedraagt veelal niet juist drie- of viermaal 3, maar toch daaromtrent; doch de stengel en ook de bloemstelen, hoewel deze niet zoo duidelijk, zijn 3-kant, en vooral valt in het oog, dat de fraaie, losse, wijd uitstaande pluim gevormd wordt, doordat, op naar boven steeds kleiner wordende afstanden van elkaar, de bijassen bij drieën uit de hoofdas voortkomen en zich zelf opnieuw telkens weer in drieën verdeelen, aan den voet steeds door 3 steunblaadjes gestut, terwijl uit de oksels dier bijassen een tweede generatie van bloemstelen voortkomt, wier aantal ook trouw door het cijfer 3 wordt uitgedrukt.

Plantenschat 1898-paginadecoratie 13.png