Pagina:Plantenschat - inleiding tot de kennis der flora van Nederland (1898).djvu/80

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
— 35 —

Rondbladig wintergroen.—Pirola rotundifolia.

Wij reden over een zandweg in een mooie boschrijke streek van Gelderland. Koetsier! Stoppen! Want we meenden een Drosera aan den voet van een boom te zien groeien. Een rechtopstaand onbebladerd stengeltje, van boven eenige kleine witachtige bloempjes dragend, en voortkomend uit een kleine rozet van rondachtige blaadjes, ja, dat moest het vliegenvangertje zijn, waarnaar wij hier reeds te vergeefs hadden uitgezien.

Doch toen wij uitgestapt waren, bleek het heel wat anders te wezen. Geen vleeschetende plant, ook geen parasiet, maar toch een, die liefst niet al zijn voedsel zelf fabriceert, een saprophiet of afvalplant was het, die hier te midden van rottende afgevallen bladeren zich met zijn stevig wortelstokje had gegrondvest. Het was Pirola rotundifolia met zijn kaarsrecht stengeltje en zijn altijdgroene bladeren, de bovenste van de rozet mooi gaaf en frisch, de onderste geheel of gedeeltelijk verdord.

De melkwitte bloemkroontjes van deze Ericacee zijn vijfbladig en worden gesteund door een klein vijfslippig kelkje en bij een inkijkje vallen ons terstond de tien korte meeldraden door hun oranjekleurige helmknopjes in het oog. Die zitten rondom het dikke vruchtbeginsel, dat tot een vijfhokkig doosvruchtje uitgroeit, in vorm met niets beter dan met een meloen in miniatuur te vergelijken.

Wij vonden bij die gelegenheid ook (het was in Juni 1897 in de buurt van Lochem) een Pirola, waarbij het bloempje wel open en klokvormig was, maar de kelkslippen veel te kort en te breed waren om ze lancetvormig te kunnen noemen, terwijl de stijl bijna niet buiten de bloem uitstak en een stervormigen stempel had. Dit zal, daar het om eerstgenoemde reden Pirola minor niet kon wezen, misschien de Pirola media geweest zijn, die door Heukels niet in zijn "Schoolflora" is opgenomen, maar waarvan Oudemans in zijn "Flora" vermeldt, dat ze in 1827 in de dennenbosschen van Gelderland gevonden was, doch sedert niet meer. Dat zij echter niet zoolang te zoek geweest is, valt af te leiden uit het feit dat nog in 1895 Suringar in zijn zakflora haar een plaatsje inruimt, zij het ook met waarschuwend kruisje gemerkt.

Plantenschat 1898-paginadecoratie 13.png