Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/106

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


den beste onder de moderne schilders wou hij den titel van ridder of baron voegen. Daar had hij al veel pijlen aan verschoten. Als hij aan dien titel doordacht, wierd zijn nek stijver, zijn baard vierkantiger en zag hij met zijn oogen fel opzij, alsof ze zijn portret aan 't schilderen waren. Als simpele burgerjongen uit de simpele stad Aalst had hij het door durf, tact, talent, aanpassingsvermogen en lenigheidom-met-iemand-te-kunnen-omgaan, heel ver gebracht. Schilder van Keizer Karel! Er waren er, die vlagden voor hem uit pure bewondering, en anderen, omdat hij aan 't hof een stootje kon geven voor een plaatsken ergens aan den grooten kaas. Maar weer anderen kregen vapeurkes van woede, als ze aan zijn succes dachten, en vertelden kwaad van hem. En hij was danig goed van harte, had spijt dat hij vijanden had; wou voor elkeen goed doen; vergat al hun kwaadaardigheid en hielp hen, als ze hem maar lets kwamen vragen. Ze wisten niet, welke deugd zij er hem mee deden. Als z' hem maar telden als den grootsten schilder, dan wierd hij eerst fijn goed. Want hij west, met verdriet, dat hij het niet was, - en die lof was een zoete verdooving voor dit verdriet. Zijn jong leven was nog al woelig geweest, met reuken aan; en waar anderen beschaamd achteruit zouden gebleven zijn, ging hij er stout op of - dit was hem geen hindernis naar den roem. Hij had drie soorten kinderen, om niet van een vierde te spreken . Toen zijn eerste vrouw gestorven was, woonde hij met een bijzit waarbij hij twee kinderen had. Na haar dood (omdat hij goedhartig was) nam hij die kinderen bij die van zijn eerste vrouw, trouwde 'nen tweeden keer en won weer kinderen, waaronder Marieke. Hij deed het rond zich ronken en ruischen van groote. namen, hooge vrienden en lange titels. Hij verstopte er zijn minderwaardigheidsweten onder. Maar als hij het niet naar boven duwde, kwam het ginder als 'ne kurk weer boven. Hij had verdriet. En daarbij' - hij had — geenen tijd. Daar weet hij veel van zijn zwakte aan. En hij was blij, dat hij een reden vond. Hij beneed zijnen knecht Jan en zijn knechtje Pieter, die zoo roffelend-gelukkig op hun duizend gemakken godgansche dagen zaten to schilderen. Maar soms kon hij vol kruipen van heimwee naar verf en borstel; 't kon hem zoo opschudden, dat hij een voorgenomen bezoek afzei, of wegging van het rijkelijkste feestmaal bij zijn vrienden, en soms tot diep in den nacht aan 't werken ging dat de stukken er afvlogen. „Nog geen