Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/108

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


„Kapot," antwoordde hij fezelend. Want verleden jaar was het dorp Bruegel door de zwervende benden van Maarten van Rossum kapot geplunderd en half uitgemoord. Datzelfde Hannekenuit kwam nadien een beleg voor Antwerpen slagen en had menige schoone brok door zijn kanonballen kapot gekraakt. Pieter was sedert dien begeerig om zijn dorp to bezoeken; maar hij durfde niet goed, uit vrees het to ellendig to vinden, en stelde altijd uit. En hij had het zoo gaarne gezien, al was 't maar alleen om eens dien goeien parochiepaap to bezoeken, die nu gelukkiglijk alles van Pieter wist door zijn eigen brieven. Morgen zou hij hem eens schrijven, dat hij in den Winter, als er sneeuw lag, voor enkele dagen ging komen. Hij moest het hardop gezegd hebben, want Marieke zei „Dan ga ik mee." Maar toen kwam Meester Coecke binnen, in zilverdraden wambuis en krakende, gele kaplaarzen, gereed om to gaan jagen. Hij kwam zenuwachtig binnen gestoven. „Ze kunnen mij nooit gerust laten!" En tot Pieter „Jongeske, jongeske, roem is heerlijk, maar zwaar om te dragen. Niet beter dan zoo op uw eentje kleuren en tinten to laten spelen!" En dan gebiedend: „Dit schilderijke moet vandaag nog af! Mijnheer de la viola op zijn speelhofken in de Gasthuisbeemden wil het morgen nog hebben, of hij weigert het. Het mag nat aan den muur hangen: d' ouders van zijn toekomende schoondochter komen, 'nen Italiaansche koophandelaar. En Jan Nagel is hier niet om de vleezen to schilderen! In twee dagen is hij niet geweest, en dan Been woord laten zeggen! Ik doe hem een model zoeken voor de Godin van de zee, en hij ziet niet meer om! Z' hebben me gezegd, dat hij met zijn vrouw gevochten heeft, en, naar 't schijnt, een oog kwijt is, uw lekkere vriend! En ik zit hier met dit schilderljke! Niemand van de leerlingen, die het van verre of dichtbij kan; en ik, ik moet gaan jagen! Ik kan toch die jacht niet, afzeggen: 't is op 't jachtgoed van den Kardinaal, op 't Kantekraai. Ik weet niet hoeveel edelen daar zijn! En de Kardinaal die zoo 'ne goeie kooper is!".... Hij wandelde rond, zag naar de teekeningen en schilderijkes op zijn Bosch's, die aan den muur hingen, met misprijzen voor 't onderwerp, maar met aandacht voor de goeie uitvoering. „Paatje," riep Marieke, ,als er sneeuw ligt, ga ik met Pieter heel, heel ver weg!"