Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/33

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


Onder het openstaande, roode slaaplijf krolde het rosse borsthaar uit het wit hemd. Hij was 'nen os, 'nen inktvisch voor zijn volk. Altijd 'nen hap en 'nen knap, en hij wou hen met 'nen ijzeren rug en 'nen houten mond, want voor anderen is matig eten heel gezond. Voor hen een magere blauwe botermelkpap, dunne soep, boonen, rapen met een dakgotensaus, zwart brood met een voorzichtig veegske vet er op; "s Zondags afsnijeling, spek van een binnenbier, eten van keerkeschiet. „Ik moet ze scherp houden, anders werken ze niet." Als knechtjes zocht hij weezen; (Oliepapper was de aanwerver voor een hesp) als knechten, doolaards, schuim dat nergens anders weg meer wist; en als meiden: jonge, lieve poezen. Hij zat altijd achter het klein vensterke to loeren, at en hield den pot bier tusschen de knieen geklemd. En als er een was op 't veld, die moe naar zijn heup pakte, dan Hoot hij schel op twee vingeren, en toning, werkten ze weer angstig voort. Hij regeerde als 'ne koning, hield zijn knechten gedwee als bange honden, en triangelde er soms met den knuppel over. „Werkvolk, slecht volk," zei hij. Hij spionneerde achter hoeken en kanten, bedroog de lieve poezen, en joeg ze zwanger weg, met de honden er achterna en 't gehuil van 't verkensblazig gezin. Want moeder en kinderen waren even dik, purper, lui en gulzig. „A11es voor ons en niets voor een ander." Hun achterste hing „en godet" over hun stoeleke. De worsten kransten van de lage zoldering tot aan hunnen mond, en zonder opstaan kosten z' er zo in bijten. Ze hingen tot bij de kinderen in de wieg, die er mee speelden en aan knabbelden. De moeder, een korenkoleurige van haar, wimpers en wenkbrauwen, verdween al lachend achter heur dreigende borsten, kweekte alle jaren een bolleke kwabberbillig menschenvleesch bij met linken in armen en beenen lijk in Amerikaansche hespkes. Elkendeen was gezwollen, rond en purper en berstensgereed; en men had maar met een speld in hun vel to titsen en pang 1 ontploffen! en er zou een plasken olie drijven. En de eerste zeven uren in den ronde waren al de groote boeren familie van Kwabberbil en de volgende zeven uren waren ze familie van familie en zoo altijd voort. Allen waren rijk, machtig en tiranniek -- z' hadden burgemeesters, kapiteins, baronnen en klerken tot vriend. Met een hesp en eenige ellen worst zagen die alles door hun vingeren. Intusschen persten ze de kleine boerkes uit, wisten hen to vermageren en tot bezembinders te