Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/80

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


bloed, als een lam in 'nen doornestruik; moest g' hem er uit scheuren, dan waren er twee dooden: Pieter en de schilder.


2



En 't was op 'nen Dinsdag, na den noen, dat Pieter besneeuwd, met den doedelzak onder den bleekpurperen loddermantel, en het hoedje diep in de oogen, onder den dunnen zemelsneeuw voor de poorten van Antwerpen kwam . Een heilige aanzuiging trok hem voort. Ginder aan het St. Willibrordusgehucht draaiden er vijftien molens. En dan zag hij verder, hoe achter de gordijnen van vallende sneeuw groote torens en trapgevels blauw-grijs achter de besneeuwde wallen oprezen. Dat was Antwerpe! Het was zoo stil als op pantoffels, alsof er daar niemand leefde. De sneeuw hield de geluiden vast. Ginder over de brug van 't vestingwater gingen wat gebogen menschen, zwart in de sneeuw. 'Ne vreemde, gele hond liep met den steert tusschen de pooten, als om zijnen mageren buik to warmen, achter Pieter aan. Zijn hart begon van ontroering, blijdschap, schrik, verlangen en nog van al ander dingen to kloppen. Zooveel jaren er naar verlangd! En nu ging hij er in komen, seffens er rats binnen zijn! 't Is om niet te gelooven. 't Wordt hem zoo zalig, dat hij er zal moeten inkruipen, want zoo'n geluk kunnen zijn beenen niet dragen. Seffens is hij er, seffens! Maar elke stap wordt als door looden voeten gedaan en schijnt meer dan een uur to duren.... en plots steekt er een bosch van duizend angstpieken in hem op. 't Is een te groot moment om niet angstig te zijn. De voorwendsels zijn dan weer: De Spanjaards zullen hem tegenhouden, voor 'nen dief aanzien, hem aftasten, - en niets vinden dan 'nen doedelzak en teekeningen. Maar God! - en 't is, of hij ineens weet, dat hij een slang onder zijn armen draagt - die teekeningen staan op kettergebeden! Zijn keel nijpt toe! Als zij ze vinden, gaat hij den brandstapel op! Hij blijft staan, en op 'nen weerlicht zijn die teekeningen onder zijnen mantel in duizend stukskes gescheurd, die hij onder de sneeuw stopt. "Morgen teeken ik er weer andere," troost hij zichzelf. En nu gaat hij vrijer voort. Hij wist al niet, waarom hij zoo beklemd was. Maar 't feest is to groot dan dat er niet zou uitgefloten worden.... Ge zult het zien! Hij zal Kwabberbil op de brug tegenkomen, juist op het laatste oogenblik, of de Tomatpa of den Parochiepater, of iemand die hem zal