Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/83

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


een tafel zat te vertellen. Plots: een gebreek van potten erg kannen, hulpgeroep - en de vier soldeniers sleurden den man naar buiten. Zijn hoed viel af en Pieter raapte hem op. En 't vrouwke schreeuwde met wringende handen achteraan: „Mijn zoon is geenen Herdooper, Mijnheeren, hij heeft maar twee minuten geluisterd naar 'nen Duitschen prediker, meer niet. 't Is geenen Herdooper, 't is geenen Herdooper! De man smeekte, zag hulpeloos, en tevens moedgevend naar 't vrouwke, dat zich aan hem had vastgeklampt. Maar ze kreeg van 'nen dikken soldenier 'nen klop tegen haar kin, dat ze lijk 'nen bussel stroo achterover viel in de sneeuw. De man krinselde, sloeg en stampte toen van woede, maar de soldeniers maakten zijn verweer seffens lam, door hem eens duchtig met hun lansen to bestompen, en sleurden hem dan ma voort. Niemand van de buitengekomen menschen raapte de vrouw op: elkendeen, en ook die uit d'herberg, trok bang en laf terug naar binnen. „Hij heeft niet betaald," zei de bazin. Pieter zag tot zijn verbazing nergens geenen Baskwadder meer. De sneeuw viel op het vrouwke. Hij wist niet wat doen, voelde plots angstig den hoed in zijn hand, en liep den gevangene achterna om hem dien terug te geven. En ge weet niet hoe het komt, maar 't is of de schouwpijpen, de schalien en dakpannen het aan malkander voortvertellen. 't Is of de huizen het rieken. Deuren en vensters vliegen open. Angstige, nieuwsgierige gezichten komen zien. Pieter hoort brokken van rappe zinnen: ,Ne ketter.... "nen Herdooper.... verbranden.... brandstapel.... verkoolen.... Die man zal verbrand worden!" Iedereen weet het, ziet het, en 't verwondert Pieter, dat er niemand die soldeniers tegenhoudt! De menschen.... ze zijn als van stopverf, zonder zenuw of graat, niets. Ze koken niet. Ze zien lijk koeien naar even schip en zeggen melkachtig: „Ik zou in zijn plaats niet willen zijn.... Dat komt er van ketter to zijn." Pieter loopt mee als aan dien man vastgebonden - 't is de schuld van dien hoed. Volk en kinderen loopen mee, nieuwsgierig naar het ongeluk.... En hoe verder het ging, hoe meer de verbeelding van de menschen groeide. Hij hoorde: „'Ne ketter, die met tooverij omging. „Hij vierde den Sabbat met Duitsche maagden." „'t Is er eene, die de klein kinderen het hart uit hun lijf haalt, om er zalven van to maken." „Hij zoog het bloed van jonge meiskes uit hun schouders."