Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/101

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 89 )

duidelijk aantoont. Ik heb dat grafſchrift afgeſchreeven, doch kan het thands onder mijne aantekeningen niet vinden, misſchien heb ik het verlooren, doch zo het mij in handen valt, zend ik het U bij eene andere gelegenheid. – Alle Roomſchen denken zoo, Geuzen zijn maar Ketters, dus mag men hen veilig van het leven berooven. Dat een Hervormde en Ketter dezelfde zijn, kunt Gij zien uit het Fransch Woordenboek van den Abt Danet, die het woord Huguenot overbrengt door Heretique, Calviniste. De anderzints geleerde Jeſuit, Petavius, noemt den Grooten Luther een' Opperketter en den Vader der Opperketteren, andere Hervormers ſtelt hij ook op de Ketterlijst. – – Ik moet U ook nog eenen dommen bijgeloovigen trek der Roomſchen te Deurne, die alleen op onkunde zich grond, ſchetzen. – Men ziet in de Peel, wijl zij een moeras is, en de moeraslucht zeer ligtlijk ontvlamt, dikwijls dwaallichten, hier Stalkaarſen genoemd, deeze houd men voor ongedoopte kinderen en beklaagt altijd derzelver ongelukkig lot, wijl zij tot den jongſten dag, omdat zij niet gedoopt zijn, omzwerven: ook ziet men 'er wel eens groote vuurklompen of pilaaren, uit eene phosphoriſche ſtof beſtaande, zweeven, deezen noemt men gloeiënde mannen, men houdze voor verdoemde menſchen, die tot ſtraf hunner misdaaden moeten omzwerven; zij komen, zegt het bijgeloof, van het Kerkhof, doch zijn dan zwart of onzigtbaar, maar zoodra zij in de Peel zijn, moeten zij branden, wanneer men dezelve ziet, tekent men zich met een kruis, als

een

F5