Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/110

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 98 )

den, als de handelwijze der Hervormden en Doopsgezinden te Holwerd in Friesland, welke door ons, onder den titel van: Bijdrage tot de geſchiedenis der verdraagzaamheid in ons Vaderland, geleezen is in de Algem. Vaderl. Letteroeff. voor 1794. De Hervormden in de Majorij bezitten zeer veel verdraagzaamheid jegens andere Proteſtanten, zij beſchomven dezelve als broeders, die, ſchoon zij in eenige ſtukken verſchillen, nogthands in die groote zaak het eens zijn, om naamlijk God in geest en waarheid te dienen. – Onder de Inwooners van Gemert zijn veele armen, en men treft 'er zeer veele bedelaars aan, die elken vreemdling, onder het bidden van hun Pater-noster en Ave-Maria, om een aalmoes aanſpreeken, geeft men hun wat, dan is hunne dankzegging deeze: God loont! – Ik zal wel voor u bidden, doch zoodra men hun den rug toegekeerd heeft, zijn zij hunne belofte vergeeten; geeft men aan eenen, ſchielijk ſteekt een andere ook de hand uit, om wat te hebben. – Op dit Dorp zijn veele Linnen-weeverijën. De Inwooners zijn over het algemeen groote liefhebbers van jenever en bier; 's avonds vind men veele Herbergen altijd vol Volks, die hier hun kannetjen bier ledigen; dit heeft overäl in de Majorij plaats, waar veele Ambachtsluiden woonen. – In voorige tijden waren de Roomſchen hier veel verdraagzaamer omtrent de Geuzen, dan tegenwoordig, en dit komt, omdat zij merken, dat de Hervormden hier nog zoo vrij als van te

voo-