Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/111

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 99 )

vooren leeven, en dit had men niet gedacht, daarënboven moogen zij thands niets meer buiten hunne Kerk, even zoo min als de Geuzen, verrichten, dit ſtoot hun, want zij zijn niet gaarne met Ketters gelijk geſteld; ja het is opmerklijk, gelijk ik reeds meer dan eens heb opgemerkt, dat de Roomſchen niet kunnen dulden, dat iemand dáár vrijheid van Godsdienst geniet, waar zij denzelven oeffenen, doch als men met hun ſpreekt, ſchijnen zij vrij verdraagzaam, alhoewel hun hart geheel anders is, dit kan een oplettend toehoorer hunner redeneeringen zeer gemaklijk opmaaken. – – Voor het overige is Gemert geen onäangenaam Dorp voor eenen vreemdeling, om 'er zich eenigen tijd optehouden, want hij kan 'er zich nog al wel vermaaken, wijl men 'er aangenaame wandelwegen vind; hij 'er veele nieuwspapieren kan leezen, en 'er altijd, zo hij zich met luidruchtige en weinig beduidende geſprekken kan vermaaken, gezelſchappen kan aantreffen – Ik heb U vergeeten te melden, dat hier ook eene Franſche en Latijnſche School is, op welke laatſte de jongelingen, die tot Priester ſtudeeren, in het Monnikenlatijn onderweezen worden; thands is dezelve geheel in verval. – Daar hebt Gij alles, wat ik U over dit Dorp kan zeggen, morgen vroeg verlaat ik hetzelve, en begeef mij naar.... ja! ik weet het zelf nog niet, doch zoodra ik ergens kom, waar ik eenen dag uitrust, zult Gij wederom eenen brief, het zij groot of klein, van mij ontvangen, intusſchen verzeker ik U, dat ik niet

op-

G2