Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/127

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 115 )

durfde, om den naam van Geus uit te ſpreeken. –

Laat mij nu uwen brief, en de vraagen in denzelven vervat, zoo goed als ik kan, beäntwoorden; ik heb op alle Dorpen, waar ik geweest ben, zoo veel mooglijk, de denk- en levenswijze der Majorijënaars naargeſpoord. – Over het algemeen is de kost en drank der Inwooners zeer ſober, doch niet uit verkiezing maar uit noodzaaklijkheid, want hun ontbreekt en het vermogen en ook de kunde, om hunnen kost wel te bereiden, de gewoone ſpijze zijn Aardäppelen. Hunne veelvuldige Vastendagen maaken, dat zij weinig vleesch of ſpek kunnen eeten, en geld om boter te koopen bezitten zij niet, zij eeten dus de Aardäppelen gcwoonlijk met een weinig lampolie; thands echter vergunt de Vicarius aan hun, wijl alles zoo duur is, om in den veertigdaagſchen vasten voor Paaſchen vleesch en vet te moogen eeten; doch 'er zijn veele ſijnen onder dezelve, die van deeze vergunning geen gebruik willen maaken, om den H. Vasten niet te breeken. – Onder de Majorijënaars heeft zeer veel morsſigheid plaats, en het verſchil is hier, omtrent de zindelijkheid, met Holland grooter dan dag cn nacht; ik ben in veele huizen, vooräl bij boeren, geweest, waar ik op geenen ſtoel durfde gaan zitten; het is wonder, dat deeze morsſige levenswijze niet meer ziektens veröorzaakt; doch de gezonde lucht, en misſchien ook de magere doch gezonde ſpijs, brengen veel toe, om de gezondheid te bewaaren. – Wat zal ik U, mijn Vriend! zeggen omtrent de Huwelij-

ken,
H2