Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/126

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 114 )

reize kon beſteeden, begint op te korten; deels – wijl mij ook hier de haat, dweepzucht en bijgeloovige grillen, welke ik hier zien en hooren moest, geweldig verveelden. – Ik ging derhalven, na mij hier een dag of twee opgehouden te hebben, over het Dorp Moergeſtel weêr naar het aanzienlijk Tilburg. De weg, welken ik te wandelen had, was vrij eenzaam; ſlechts een enkel Man van Oorſchot, welke naar Moergeſtel ging, ging denzelfden weg, dien ik betrad, ik ſprak met hem, en wende ons geſprek juist op die zaaken, welke ik gaarne wilde weeten, hij voldeed gedeeltelijk aan mijne nieuwsgierigheid, om naamlijk veele zaaken, het bijgeloof betreffende, mij te zeggen; zommige zaaken kwamen mij zeer beſpotlijk, anderen weder zeer ongegrond voor, doch overäl liet hij zijnen haat tegen de Proteſtanten, als hij maar eenige gelegenheid meende te hebben, doorblinken. Mij ontmoetede derhalven niets op deeze wandeling van Tilburg en te rug, dat veel voor U opleverde, als alleen, dat ik overäl blijken van het domſte bijgeloof, en van verfoeiëlijke ontevredenheid, omdat men in zijne meening bedroogen was, aantrof; want had de wensch der Majorijënaars zijne vervulling nu ſedert een jaar of drie gekreegen, nergens zou dan de Roomſche Godsdienst met meer pracht uitgeöeffend zijn geworden dan onder hen; ja dan waren reeds alle Proteſtanten in de Majorij uitgerooid; hun naam was dan reeds lang van de aarde verdelgd, zelfs was 'er dan reeds het ijslijkst anathema uitgeſproken over hem, die onderſtaan

durf-