Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/129

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 117 )

kreeg ten antwoord: Mijn Heer! een Paard kost zoo veel geld! ik kon dus zijne denkwijze gemaklijk raaden, ſchoon hij veel werk van zijne Vrouw ſcheen te maaken. – Ja! het is zoo, als Gij mij vraagt omtrent de Schoolmeesters. Men heeft 'er eenigen afgezet, doch niet omdat zij iets misdreeven hadden, of omdat zij niet kundig genoeg waren, ſchoon 'er zeker wel onder zijn, die kundiger behoorden te weezen, doch eenig en alleen, om eenen Roomſchen te hebben, die de kinderen in Roomſche boeken, gelijk op zommige Dorpen geſchied, zoude onderwijzen, en op deeze wijze kunnen de Proteſtanten hunne kinderen niet wel School zenden. Onder de nieuw aangeſtelde Roomſche Schoolmeesters zijn ellendige breekebeenen. – Met medelijden moet een Proteſtant hier zijne Geloofsgenooten, ſchoon over het algemeen braave luiden, beſchouwen. Op veele plaatzen zijn zij hunne Kerken kwijt, en moeten nu hunnen Godsdienst in eene kamer bij hunnen Leeräar verrichten, dus dat Gij hen te recht beklaagt, mijn Beste! en wat zal 'er van die ongelukkige Leeräars der Hervormden in de Majorij worden? Hebben zij geen geld, geloof vinden zij niet, en misſchien worden veelen (want men wil hun ook de huizen ontneemen) met Vrouw en Kinderen op ſtraat gezet. Mijn hart krimpt weg van weedom, als ik alles overdenk, wat een Proteſtant in de Majorij te lijden heeft, en misſchien nog zal moeten lijden, en wel van zulken, die zich ook Christenen noemen, dan – laat mij verder voordgaan, en U, terwijl ik met een

bloe-
H3