Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/130

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 118 )

bloedend hart een billijken traan aan die arme, vervolgde, gehaatte en gevloekte luiden toewij, verder ſchrijven, om daardoor mijne treurigheid, die mij op deeze gedachte aangreep, eenigzints te verdrijven. – Gij vraagt mij ook: "Is het een algemeene ſtelregel der Roomſchen in de Majorij: eenen Ketter behoeft men geen geloof te houden, en al doet men eenen valſchen eed in betrekking tot eenen Geus, doet dit wel iets af?" Ik antwoord: ja! want dit brengt hunnen Godsdienst mede, ook heeft een Priester de magt, om hen van eenen valſchen eed te bevrijden; ik zou ten minſten, in zaaken van gewigt tusſchen eenen Roomſchen en Hervormden in de Majorij, eenen Roomſchen getuigen altijd voor partijdig houden, ja! wanneer het op eenen eed aankomt, dan heeft het een Geus altijd verlooren, als naamlijk de Roomſche zweert. Volgends den kundigen Rabener is een eed bij veelen niets anders, dan een Compliment, dat zij Gode maaken, doch bij eenen Roomſchen is een eed een middel, om alles juist naar zijnen zin te kunnen krijgen. – Hier hebt Gij, mijn Vriend! uwe vraagen beäntwoord. Nu zou ik U nog wel het een en ander over eenige gebruiken, en bijgeloovigheden der Majorijënaars kunnen melden, doch dit wil ik liever ſpaaren voor mijnen volgenden brief, die denklijk de laatſte weezen zal, welken Gij van mij uit Tilburg, zelfs uit de Majorij, ontvangen zult, want ik hoop binnen kort dit land, het geen Gij zeer juist noemt: een Baijert van verwarring – een middenpunt aller

ver-