Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/140

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 128 )

Multi magni morbi curantur abſtinentia et quieta.

Ik moet eindigen, want alles ſchemert mij reeds voor de oogen. – Zend mij ten eerſten een klein Wisſeltjen, want zoo ik nog eenige dagen hier moet blijven, zal het weinige geld, dat ik nog overig heb, ſchielijk gevloogen zijn. – Ik ben, enz.




NEGENTIENDE BRIEF.

 Waardste S........!

God lof! ik ben weder veel beter, mijn Lieve Vriend! dan ik geweest ben; ik voel mijne krachten, ſchoon met langzaame treden, te rug keeren, doch ik kan thands, bij tusſchenpoozen, leezen, aan U denken, en aan U ſchrijven. – Ik wierd, nadat ik mijn laatſte briefjen aan U had afgezonden, veel erger; mijne ziekte vermeerderde – de koorts hervattede zich ſterker, en – ik had altoos geene gedachte, om U aan deeze zijde van het graf weder te zien, want alles ſcheen mij eenen nabijzijnden dood aan te kondigen. – Dan – ik beefde niet voor den dood – ô neen! – Ik heb mij altijd met de gedachten des doods zoeken gemeenzaam te maaken, en hierdoor kwam hij mij minder aklig voor, doch hard, zeer hard viel het mij, dat ik, zo ik ſterven moest, den

jong-