Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/141

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 129 )

jongſten afſcheidsgroet niet op uwe lippen konde drukken, ik trooste mij echter, dat de dood ons niet eeuwig zoude ſcheiden. – "De dood," dacht ik met E. M. Post in het Land, "De dood kan Vrienden ſcheiden, maar de Vriendſchap zelf duurt tot in het ander leven." – En ik herinnerde mij deeze ſchoone regels uit de voortreflijke Ode van R. Feith over de Vriendſchap:

"Vriendſchap, die den dood doorwaad,
Kan zich, ſchoon 't Heeläl' vergaat,
Veilig achten –
Vriendſchap, aan de Deugd gepaard
Kan, op 't rookend puin der aêrd,
Ed'ler waereld wachten." –

"Sterf ik," dus redende ik bij mij zeven. – "Sterf ik, en zie ik hier mijnen Vriend niet weder, eens toch zullen wij elkanderen weder zien, want

"De eigen hand, die hier mijn hart
Hem verpande in vreugd en ſmart,
Drukt Hem weder –
De eigen lippen van 't gevoel
Aêmen, voor Gods rechterſtoel,
Vriendſchap even teder." –

Eer ik verder ſchrijf, wil ik U het Grafſchrift, dat ik te Deurne afſchreef, doch niet weder konde vinden, gelijk ik U reeds gemeld heb, en

dat
I