Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/145

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 133 )

worden?!......." Welk recht had deeze Man, om mij te verdoemen? – Waaröm wierd hij boos op mij? Ik had hem niet beledigd, maar ik verſcheelde van hem in denkbeelden omtrent den Godsdienst, en dit alleen was genoeg. – lk moet hier, als in het voorbijgaan, bijvoegen, dat het zoo even gemeld Boek: de Troost der Zielen enz. een ſtukjen is, dat men voelen en tasten kan, en ſchoon het de alleröngerijmdſte dingen bevat, nog veel dwaazer dan de beſchrijving, die de oude Heidenen van den Tartarus gaven, zoo is het echter van de zoogenoemde Roomſche Geestlijkheid goedgekeurd, en bijna ieder Roomschgezinde in de Majorij bezit 'er een exemplaar van, het geen hij heiliger dan het Euangelium gelooft. – O Tempora! O Mores!!

Tweede Vervolg. 

Dewijl ik deezen brief niet voor morgen kan wegzenden, zoo wil ik U, mijn Lieve Vriend! nog het een en ander ſchrijven, en U nog eenige bijgeloovige denkbeelden, die hier onder het Volk heerſchen, met eenige weinige ruwe trekken ſchetzen; ik kan U verzekeren, dat ik in de ſchets, die ik U van dezelve zal geeven, even weinig van de waarheid afwijke, als ik in mijne voorige brieven gedaan heb; dan zou ik U misleiden, en nimmer zou mijn hart mij vrij laaten van het knaagend zelfsverwijt, dat ik mijnen Vriend bedroogen had. –

Alle Roomschgezinden in de Majorij verzekeren

ſtel-
I5